RSS feed

Het ziet blauw van de fietsen

Geplaatst op

ivy bike lock“Wacht maar, als je erop gaat letten, zie je ze overal.” Zo voorspelde Lief enkele maanden geleden het fenomeen ‘blauwe fietsband’. Op mijn gezicht kwam geen enkele blik van herkenning, toen hij vertelde dat het wemelde van de fietsen in de binnenstad met blauwe in plaats van zwarte banden.

Ik werd eerder blij van dat gekke woord: wemelen.

Een paar dagen later viel dat wemelen wel op. Met name studenten gingen mee in deze nieuwe mode op fietsbandengebied. Kennelijk moet je je daar ook in onderscheiden. Even schiet de reclameslogan ‘Giroblauw past bij jou’. Jaren 80. Toen waren deze studenten nog niet eens geboren.

Nu waaien hypes vanuit de Randstad over het algemeen wat trager richting het zuiden. Dat zal iets met de Bourgondiër te maken hebben, die dit soort dingen met de armen gekruist op de borst van een afstandje bekijkt en eerst eens afwacht.

Dus als een vriendin uit het westen op bezoek is, zegt ze al gauw, achteloos: “Ja, dat zijn Swapfietsen.”

Voor de mensen die net als ik bij dit soort ontwikkelingen vrijwillig onder hun steen blijven zitten: dat is een abonnement op een fiets. Je least ‘m, zeg maar. Lekke band? Rammelende bagagedrager? Je ruilt je Swapfiets zo in voor een nieuwe. Je betaalt dus om te kunnen fietsen. De mensen van Swap zorgen dat dit altijd kan.

Hebben raakt uit de mode. Eerder hoorde ik verhalen over ‘betalen voor licht’ in plaats van voor een lampje. Of betalen voor het draaien van een wasje. Dat is geen wasserette, maar de afspraak dat je altijd een werkende wasmachine hebt.

En nu dus die fiets.

Bij nader onderzoek zag ik trouwens dat niet elke blauwe band een frame van Swapfiets had. Er waren ook mensen die alleen die blauwe fietsband hadden. Onder een rammelend, roodgeverfd frame of een verlopen Gazelle van oma. Zou er ook een Swapband zijn? Of zijn deze mensen maar half onder die steen vandaan gekomen en hebben ze het niet helemaal begrepen.

Het maakt de binnenstad wel een stuk vrolijker. Als Green wheels nou eens begint met groene autobanden.

Advertenties

Kijk uit, achter je!

Geplaatst op

Pulp FictionBehalve in de bioscoop hou ik tijdens een film dus nooit mijn mond. Waar Alice voor het ontbijt al zes onmogelijke dingen had bedacht, daar heb ik nog voor de opening credits al zes vragen bedacht. Meestal gaan ze wel over de betreffende film.

Dat wel.

Door de jaren heen heb ik gemerkt dat niet iedereen het op prijs stelt als ik die vragen ook hardop uitspreek. Dus zoek ik stilletjes op mijn telefoon in welke film die ene acteur nog meer speelt, probeer ik met Shazam uit te vinden wie dat liedje zingt en pieker ik me suf over wanneer we in Arizona op vakantie waren (fotoboeken staan dan weer iets te ver van de bank).

Is de film naar mijn smaak, dan neemt de vraagdichtheid af. Iets met mee- of inleven. Volgens mij droom ik daarom regelmatig dat ik achtervolgd wordt (achtervolgingen zitten in de helft van de films die we kijken, meestal als Lief aan de beurt is met kiezen), dat ik kan vliegen (daar geef ik Marvel de schuld van) of dat ik een bepaalde acteur ontmoet (geen idee waardoor dat komt, maar hartelijk dank daarvoor!).

Dus word ik het verhaal ingezogen en worden er geen onmogelijke vragen meer gesteld. Tenzij ik de verhaallijn kwijt ben (wat vaak komt, doordat ik toch even snel in dat fotoboek heb gebladerd), maar die kan de ander wel even kort uitleggen. Of mij gerust stellen met ‘we weten nu nog niet wie de dader is/wat er in het koffertje zit/hoe ze die komeet gaan stoppen’.

Als de spanning echter te groot wordt, ga ik weer meer praten. Nou ja, praten. Schrikken doen we volgens mij allemaal wel een keer bij een spannende scene (“Here’s Johnny!”) en ik weet zeker dat 80% van de mensen wel eens huilt bij een film (bij The Notebook 100%). Maar ik zeg dus geregeld nog net niet ‘Kijk uit, achter je!’.

Tegen de tv.

Volgens mij komt dat door al die poppenkast van vroeger. En dan bedoel ik een letterlijke poppenkast. Want werden we daar als kinderen niet juist gestimuleerd om mee te praten met het verhaal? “Kijk uit Jan Klaassen, de boef staat achter je!” Gelukkig kwam dan altijd net op tijd die agent of Katrien met een deegroller. Je moet er niet aan denken dat we toen al droomden over achtervolgingen.

Want korter

Geplaatst op

5441f28d77927adb0c0a6444b96df63aAls taalnazi ben ik voor altijd veroordeeld tot het struikelen over taalfoutjes.

Dit is niet bedoeld om medelijden op te wekken. Maar om duidelijk te maken dat het leven van iemand die rillingen krijgt van ‘beter als’, ook niet altijd over rozen gaat.

“Oh ja, ik was even vergeten dat jij bij me in de auto zit…”, zucht een vriendin. Gelukkig lacht ze erbij. Kennelijk had ik zojuist een zin van haar verbeterd, zonder dat ik het door had. Ook dat nog.

Wat het dan weer aangenamer maakt, is de bijbehorende voorliefde voor taalgrapjes. Goed gevonden teksten op protestborden: geweldig! De Alfabetweter: ik hou ervan. En als een folder over de opruimplicht voor hondenbezitters ‘Dat scheelt een hoop!’ heet, ben ik een gelukkig mens. Bibliothecarissenhumor is niet wijdverbreid, maar ik kan er ontzettend van genieten. Google op librarians sense of humor en je bent zo een half uurtje zoet (een hilarische Nederlandse variant heb ik helaas nog niet gevonden).

Taal is zeg maar echt mijn ding. Goed boek ook.

De laatste tijd valt mij echter iets op. Misschien is het wel ingegeven door het sms-en en app-en van de laatste decennia. Zinnen moeten korter.

Normaal zou je zeggen: ‘ik kan vanavond niet naar de bioscoop, want ik heb een deadline.’
Dat wordt steeds vaker: ‘ik kan vanavond niet naar de bioscoop, want deadline’.

Let maar eens op. Vanaf nu ga je het steeds vaker horen en ook lezen, want bewust.

Als we kortere zinnen gaan gebruiken, doet dadelijk ook het woordje ‘der’ zijn herintrede? Want korter dan ‘van de’. En komen dan daarna al die naamvallen weer terug? Laten we het niet hopen. Ik ben misschien wel een taalnazi, maar daar was ik dus nooit goed in.

Nederige borstel

Geplaatst op

smileWat was ik trots op mijn nieuwste aanwinst.

Onder het motto ‘een beter milieu begint bij een milieuvriendelijke tandenborstel’ (toegegeven, een wat minder bekend motto) had ik een ‘humble brush’ gekocht. Ik doe niet graag aan product placement, maar Google het straks gewoon eens even.

Een tandenborstel met een handvat van bamboe, dus die kan na drie maanden zo hup, de groencontainer in. Nu ben ik sinds enkele jaren wat meer op mijn afvalberg gaan letten, dus ik kon mijn geluk niet op toen ik zag dat ik weer iets kon verminderen.

Soms moet je blij zijn met gekke dingen. Nog zo’n ondergesneeuwd motto.

Dus in dat ene leuke, aparte winkel schuine streep restaurant (denk kefir, paleo en glutenvrij) kocht ik die ‘nederige borstel’.

“En die haartjes dan?” vroeg Lief bij thuiskomst.

“Daar zit geen BPA in”, probeer ik zo wijs mogelijk voor te lezen vanaf de verpakking (die natuurlijk ook volledig recyclebaar en composteerbaar is). “Een weekmaker. En dat wil je niet in je mond hebben natuurlijk.”

Lief vindt het prima. “Maar die haartjes kunnen niet in de groencontainer, hè.”

Hm, daar had ik dus niet aan gedacht.

“En ze steunen ook nog duurzame gezondheidsprojecten!” probeer ik nog mijn gezichtsverlies te redden.

Een half jaar later.

Ik ben dus niet zo strikt met het vervang-uw-tandenborstel-na-drie-maanden-beleid, maar als op een avond vanwege een hele onhandige actie mijn tandenborstel in de wc-pot valt, zie ik me toch echt-echt-echt genoodzaakt een nieuwe te kopen.

En die oude dus weg te gooien.

Op internet lees ik hoe je de Humble Brush verantwoord kunt weggooien. Even denk ik dat ik het verkeerd heb gelezen, maar er zit ook een foto bij. De haartjes (BPA-free!) (jaha!) kun je er met een tangetje uittrekken. Die doe je dan bij het plastic afval, het handvat kan bij het groenafval.

humble-care-900x506

Zo gezegd, zo gedaan. Hoongelach viel mij ten deel. Uiteraard. Zou ik ook doen.

Maar ja, wie A zegt moet ook B zeggen.

img_8065Bij het kopen van de nieuwe tandenborstel vertel ik de dame van het leuke, aparte winkel schuine streep restaurant nog even over mijn tandenborstelhaaruittreksessie. Ik hoor mezelf deze hele exercitie vergoelijken: “Ach ja, ik doe het gewoon tijdens het televisie kijken. Dan valt het best mee.” Ik weet niet waar ik op hoopte. Misschien een vergelijkbare ervaring, een betere techniek, recyclebare tangetjes voor het uittrekken van tandenborstelhaar.

Nee. Ze kijkt me een beetje meewarig aan en haalt haar schouders op. “Ik kijk nooit televisie.”

Er bestaat een kans dat de nieuwe tandenborstel over zes maanden gewoon bij het restafval verdwijnt.

Reclamecampagne

Geplaatst op

Ken je die ene radioreclame waarbij een wat bozige – ik verwacht dat tijdens de brainstorm van het reclamebureau de term stoer centraal stond – mannenstem enkele ‘regels’ opsomt?

Cappuccino drink je niet na 11.00, je sleutels bewaar je niet in je broekzak en je ondershirt draag je niet zichtbaar.

Voor dat laatste heeft de stoere reclameman vanzelfsprekend een oplossing. Daar draait die hele campagne om.

Bij die cappuccino blijf ik altijd even hangen. Dan heb ik toch regelmatig een doodzonde begaan op menig terras in de avondzon.

En als ik mijn sleutels nou gewoon in mijn broekzak zou kunnen bewaren, was ik ze niet altijd kwijt. Maar vanwege dat terugkerend (lees: dagelijkse) probleem, heb ik mijn sleutelbos uitgebreid met een onmogelijk lang keycord en foeilelijke sleutelhangers, zodat het ding onmogelijk in mijn broekzak past. Kwijtraken doe ik ze overigens nog steeds.

Maar wat ik me nou eigenlijk echt afvraag: helpt die reclame? En dan bedoel ik niet of die shirts een beetje goed verkopen. Maar denken sommige mensen vanaf nu op het terras: cappuccino? Nee joh, het is half twee.

En zo ja, kunnen we dan ook andere boodschappen herhalen in een spotje? Deze keer niet om shirts-zonder-mouwen aan de man te brengen.

Ik dacht zelf aan:

Ambulancepersoneel sla je niet in elkaar, in de trein speel je een filmpje op je telefoon af zonder geluid en van een glimlach naar een vreemde is nog nooit iemand dood gegaan.

Of valt dit onder de noemer ‘fatsoen moet je doen’? En neigt dit te veel naar een betuttelende jaren ’50-politicus? Vast niet als we het laten inspreken door die stoere man van de radioreclame.

 

Gelukszoekers

Geplaatst op

85251f2557607ca8b45d7ead7935bbf0.jpgAl een jaar lang kom ik elke week bij ze op bezoek. Al een jaar lang word ik steeds hartelijk ontvangen. Ik krijg thee, vaak met wat lekkers erbij of fruit. We praten over ditjes en datjes, maar ook over de Grote Dingen in het leven. Oorlog in hun thuisland, de verkiezingsuitslag in Nederland en de betekenis van grenzen. Grenzen die tussen mijn taalmaatjes en ik elke week weer even verdwenen. En hun Nederlands verbetert langzaam maar zeker.

De organisatie die mij als taalcoach koppelde aan dit gezin van vijf raadde het af om bij mij thuis afspreken. We zien elkaar daarom steeds in hun flatje of op locatie. In december besluit ik mijn taalmaatjes en hun drie kinderen toch bij ons thuis uit te nodigen. Ze zijn benieuwd naar Lief. En naar onze katten. Zij waren ontroerd door de uitnodiging, ik besloot ter plekke nooit meer te luisteren naar advies van anderen. Als het om het uitnodigen van taalmaatjes gaat. Dan moet je gewoon je gevoel volgen.

Maar wat kook je voor een Syrisch gezin? Ga ik me wagen aan de Arabische keuken? Eentje die me het afgelopen jaar regelmatig is voorgeschoteld en waarbij de Nederlandse keuken bleek en smakeloos afsteekt. Verder dan falafel uit een pakje (water erbij en tadaa!), baklava die de ene keer prima smaakt en de andere keer gortdroog uit mijn oven komt of baba ganoush van een restje aubergine kom ik niet. En Couscous à la Lief natuurlijk. Maar dat staat wel heel erg ver van de Arabische versie.

Iets typisch Nederlands dan? Het is niet eens mijn eigen favoriete keuken. “Dit zijn wortelen, maar dan tot prut gekookt en fijngestampt met dito aardappelen. Bon appetit!” Nee. Het wordt Mexicaans. Dat heb ik wel onder de knie. En tortilla’s lijken immers erg op Libanees brood. Dus met dat lusten komt het ook wel goed.

De deurbel gaat en ik ben zowaar een beetje zenuwachtig. Twee grote kerststerren komen me tegenmoet. Gevolgd door een enorme ovenschotel met baklava. Spoiler, maar deze is verrukkelijk. Het gezin staat vol verwachting bij onze voordeur. Wat volgt is een onvergetelijke avond.

Mijn taalmaatjes vragen Lief het hemd van het lijf. De jongste zoon maakt hem grandioos in tijdens een potje voetbal op de PlayStation. De oudste zoon praat met hem over de toekomst van elektrische auto’s. En in de keuken fluistert de dochter: “Jij bent groter dan je vriend, he?” Ik verzeker haar dat volgens onze paspoorten hij toch echt drie centimeter groter was. “Ah, jullie Nederlanders zijn allemaal zo mooi groot”, zucht ze, terwijl ze me helpt met het afruimen. Ondertussen maken de ouders nog even een foto van onze kerstboom. “Voor de familie-app.”

Een avond om nooit te vergeten. Wederom worden koetjes en kalfjes afgewisseld met levensverhalen. Gesprekken over geldzorgen zijn nooit ver weg. Volgens de Nederlandse wet mogen ze namelijk nog niet werken, terwijl ze dat dolgraag willen. Daardoor gaat bijna al hun geld op aan vaste lasten. Zoals de huur van hun flatje en verzekeringen. Dat wordt natuurlijk niet door de overheid betaald, ondanks wat er via social media regelmatig wordt beweerd door mensen die nog nooit een gesprek hebben gehad met een vluchteling.

En we lachen. We lachen ontzettend veel samen. Zelfs de kater ligt op zijn rug bij de dochter op schoot. Iets dat wij niet voor elkaar krijgen.

Die avond zijn we op zoek naar geluk en vinden we het bij elkaar. Want zeg nou zelf, gelukzoekers zijn we allemaal.

Flesjes wijn

Geplaatst op

171e58c6ce0aec3e2a137b873402f98eIneens staat hij voor mijn deur. Nou ja, ineens. Hij was komen aanrijden met zijn busje en had aangebeld. Dat was de reden waarom ik open deed. En daar staat hij dus. Met twee kartonnen dozen met wijnflessen. De kerst was net voorbij. Een verlaat cadeau? Een riant kerstpakket van een vergeten opdrachtgever?

“Wilt u dit aannemen voor nummer zoveel?” vraagt hij. Mijn hoop op 12 flesjes uit de Dordogne vervliegt meedogenloos.

“Ja, natuurlijk”, zeg ik en stap opzij, zodat hij het in de gang kan zetten. De uitnodiging om mijn huis in te stappen vat de bezorger op als startschot voor zijn opgekropte bezorgfrustratie.

“Zo’n hele doos is dus op Kerstavond in mijn bus kapot gevallen”, begint hij. Ondertussen zet hij de twee doosjes gevaarlijk rinkelend naast de meterkast. “Alles onder de wijn. En je weet hoe dat kan plakken en stinken, hè?” Kennelijk zie ik eruit als iemand die vroeger met plakvingers in de kroeg stond en tegenwoordig thuis nog weleens morst. Ik kan niet anders dan begripvol knikken, lippen ietwat samengeknepen om het verlies van zoveel kostbaar en waarschijnlijk smakelijk vocht.

“Zijn die lui dus laaiend. Ja, hallo, alsof ik bewust zo’n doos uit mijn klauwen laat mieteren. Op Kerstavond!” Vooral dat laatste zal zowel bij hem als bij de ontvanger tot de nodige ellende hebben gezorgd. Ik zag de buurtgenoten al tijdens het kerstdiner zitten. “We serveren bij het hertenbiefstuk dit jaar gewoon water. Komt de wildsaus ook veel beter tot zijn recht.”  In die saus moest natuurlijk eigenlijk ook rode wijn.

De bezorger gaat verder en morrelt wat met zijn handcomputer (dat ding waar je handtekening altijd op mislukt). “Ik zeg tegen hem, ik zeg: ja, omdat u niet met uw luie reet naar de slijter wilt gaan, moet ik het nu verduren?” Even houdt hij stil, alsof de betekenis van zijn woorden dan en daar pas tot hem doordringt. “Had ik misschien niet moeten zeggen. Maar nu gaan ze dus een klacht indienen.”

Dan loopt hij weer naar zijn bus die waarschijnlijk nog tot ver na Pasen naar rode wijn ruikt. Een paar uur later komt de desbetreffende buurman zijn wijn ophalen. “Je bent al de derde bij wie ik aanbel”, zucht hij wat korzelig. “Die bezorger had gewoon geen briefje achter gelaten. Niks.”

Ik vermoed dat dit niet per ongeluk was, maar ik ben stiekem voor Team Bezorger.